Maartje Smits: Broed in alle stadia
vrijdag, 27 september 2019
Terug naar overzicht

Mijn vader gaf me mijn eerste volk toen ik acht was. Op een warme lentedag voerden we samen de voorjaarsinspectie uit. Ik droeg een enorm imkerpak dat naar zware tabak rook, de mouwen met haarelastiekjes dichtgebonden. Zoals altijd droeg mijn vader een vaal sportjack. De imkersluier, een kleine klamboe die over zijn hoofd lag, was slordig in zijn kraag gestopt. Dat hij geen pak nodig had en ook geen handschoenen droeg, gaf hem in mijn ogen een mythische autoriteit.

Het was niet de eerste keer dat ik hem hielp met de bijen; we liepen met een zekere routine de kasten langs. Een voor een wrikte mijn vader de raampjes los en hield ze omhoog om ze samen zorgvuldig te bekijken. Het was mijn taak om de koningin te vinden. Zonder een koningin is een volk verloren: hoewel de koningin geen directe bevelen uitdeelt – ze is de hele dag druk bezig met eitjes leggen – is het leger werksterbijen stuurloos zodra ze wegvalt. Ze is zo belangrijk dat bijen, wanneer ze de feromonen die de koningin afgeeft niet meer ruiken, onmiddellijk nerveus beginnen te ‘stertselen’. Ze kantelen dan hun achterlijven omhoog, kwispelen om de lucht te verplaatsen en hopen in de tochtstroom die ze daarmee op gang brengen toch een vleugje koningin op te vangen. Gelukkig waren alle volken en hun koninginnen de winter goed doorgekomen.

Bij de laatste kast zei mijn vader: “Deze is voor jou.” Dat was het. Geen ceremonie of ontroerende woorden, vanaf die middag was dat gewoon mijn volk. Er veranderde verder weinig. De kast bleef op dezelfde plek staan, in het rijtje achterin de groentetuin. We controleerden hem, net als alle andere, samen. Alleen mocht ik nu alle beslissingen nemen. Ik opende de kast en haalde de raampjes omhoog. Mijn eerste bijen zoemden hard en laag, maar het kwam vriendelijk op me over. Toen ik ’s avonds in bed lag en mijn ogen sloot, hoorde ik mijn volk nog steeds.

*

Goed imkerschap betekent dat je altijd het beste voor je bijen probeert te doen. Dat is niet eenvoudig, want elke ingreep een verstoring. Honingbijen leven van nature in rotsspleten of holle bomen die in ons land niet veel voorkomen – zonder hun imker zouden ze hier nauwelijks overleven. We bootsen deze donkere omgeving na met een kast. In de duizenden jaren dat mensen honingbijen houden, zijn er verschillende modellen korven en kasten ontworpen, met als belangrijkste revolutie de uitneembare bakken en ramen die het mogelijk maken honing te oogsten zonder het nest te vernielen. Honingbijen zijn (hobby)vee geworden. Toch blijft het openen van een kast een invasieve onderneming. Opeens valt er zonlicht in het anders zo donkere broednest. Ik stel me voor dat het voelt alsof iemand midden in de nacht het licht in mijn kamer aandoet en het warme dekbed van me aftrekt.

Mijn vader leerde me zijn manier van imkeren: zo min mogelijk ingrijpen en vooral kijken wat de bijen nodig hebben. Hij doceerde geen regels, maar stelde vragen.

“Wat betekenen die grote doppen op de raat?” vroeg hij dan.                                                                        “Daar komen straks nieuwe koninginnen uit, het volk gaat zwermen.”                                              “Vandaag?”

“Nee, deze zijn nieuw.”

In principe heeft elk volk één koningin, maar gedurende het voorjaar groeit de bevolking enorm. Zaten er in maart nog maar vijftienduizend bijen in de kast, begin mei zijn het er veertigduizend. De geur van de koningin wordt niet meer overal opgevangen en de bijen besluiten dat het tijd wordt voor een nieuwe kolonie. Ze bouwen grote moerdoppen, langwerpige cellen die verticaal aan de raat hangen. De koningin belegt deze doppen met eitjes. De larven die daaruit groeien krijgen speciale koninginnengelei te eten en transformeren binnen twee weken tot volwaardige troonopvolgsters.

Zodra de jonge koninginnelarven zich in hun cel verpoppen – dag 9 – is het voor de oude koningin tijd om te gaan. Ze zal met een deel van het volk vertrekken om ergens anders opnieuw te beginnen. In feite is dit zwermen de echte voortplanting van de honingbij. De koningin legt weliswaar elke dag ontelbaar veel eitjes waar werksters of darren uitgroeien, maar deze bijen leven niet langer dan een paar maanden. Door het gezag aan een van haar dochters over te dragen, wordt er met haar genetisch materiaal een nieuwe kolonie gesticht. De nieuwe jonge koningin zal een paar dagen later op bruidsvlucht gaan: voor het eerst en voorlopig voor het laatst verlaat ze de kast. Ze vliegt naar een darrenverzamelplaats, een plek in de lucht op boomhoogte waar mannetjesbijen van verschillende kolonies in de omgeving zich hebben verzameld in afwachting van een maagdelijke koningin. De mannetjes achtervolgen haar en de gelukkigen die met haar weten te paren, storten ter aarde nadat ze zijn klaargekomen. Tijdens deze ene vlucht verzamelt de koningin genoeg sperma om de rest van haar leven in het donker eitjes te leggen.

Mijn volk was hoe dan ook in zwermstemming en dus moesten we op zoek naar de koningin. Gelukkig hadden we haar eerder dat voorjaar gemerkt. De meeste imkers doen dit met speciale stickertjes met jaartallen erop, zodat je altijd weet hoe oud een koningin is en wanneer ze eventueel vervangen moet worden. Maar mijn vader gebruikte nagellak, elk jaar een andere kleur uit het assortiment van mijn zussen. We vingen de koningin dan in een vingerhoedje van gaas, en als ze daar rustig zat, lakten we heel voorzichtig – als het ware tussen de schouderbladen – een roze rugzakje in haar nek.

Door deze truc zouden we de koningin waarschijnlijk makkelijk vinden, ook al barstte de kast haast uit zijn voegen. Alle ramen waren bezet en een troepje bijen was zelfs als een baard tegen de buitenkant van de kast gekropen. Daar zou de koningin niet tussen zitten, wist ik: koninginnen kruipen altijd graag naar het donkerste hoekje. Als je de ramen één voor één controleert, zit ze vaak op de laatste.

Al snel zag ik onze roze gelakte bij op een broedraam lopen. Met haar lange, sierlijke achterlijf bewoog ze zoals altijd in een ander tempo, net iets sneller dan de werksters. Alsof ze zich haastig naar een belangrijke receptie begaf. We zetten haar met raam en al in een nieuwe kast, en schudden daarboven een paar andere raampjes met bijen af. In haar eentje overleeft een koningin niet lang, een hofhouding moet haar voeren en verzorgen. We gaven de bijen ramen met honing en stuifmeel mee, sloten de kast en zetten hem klaar om die avond naar de polder te brengen. Ver genoeg zodat het nieuwe volk niet zou kunnen terugvliegen naar hun oude standplaats.

Ik weet niet precies meer hoe het met dit volk is afgelopen. Na een paar jaar imkeren wilde ik als puber niets meer met mijn ouders en hun hobby’s te maken hebben, toen heeft mijn vader de kast weer teruggenomen.

*

Op mijn vierentwintigste besloot ik om voor de tweede keer imker te worden. Het was winter, ik was net afgestudeerd aan de kunstacademie, werkloos en verlaten door de man met wie ik dacht oud te worden. In een poging om mijn leven weer van mij te maken, koos ik een hobby die me aan vroeger deed denken, een tijd waarin moeilijke onderwerpen als liefdesverdriet en mijn carrière nog niet bestonden. Nu wilde ik het echt helemaal zelf doen; ik vertelde mijn vader niets over het plan. Bijenhouden kon alleen iets van mij zijn als ik alles opnieuw leerde, dus volgde ik die winter een beginnerscursus bij de plaatselijke imkervereniging. Het lesmateriaal nam ik haast religieus in me op. Weken studeerde ik voor het theorie-examen.

Toen de eerste krokussen opkwamen en ook de bijen zich voorzichtig buiten de kast waagden, werd het tijd voor de praktijk. Elke cursist kreeg de verantwoordelijkheid over een lesvolk dat onder toeziend oog van een mentor door het seizoen moest worden geloodst. De oude mannetjes, waar zo’n vereniging vol mee zit, hadden allemaal hun eigen rituelen en geknutseld gereedschap, ieder zijn eigen religie, en ze bemoeiden zich met alles. Elke stap die ik zette, werd op vaderlijke wijze getoetst en bevraagd. Steeds vaker bekroop me dat bekende gevoel dat ik als tiener had gehad: kon ik het dan nooit zelf goed doen?

Het toverwoord van een van de mentoren was BRIAS: broed in alle stadia, oftewel eitjes, larven en gesloten cellen. Elke controle moest ik als eerst op zoek naar BRIAS, om me ervan te verzekeren dat de koningin nog leefde en in goede conditie was. Vervolgens moest ik alle bevindingen in dit soort mysterieuze afkortingen op de kastkaart schrijven die als een gelamineerd dagboek onder het deksel lag.

In al die jaren had ik mijn vader nooit een kastkaart zien invullen. Hij werkte op intuïtie Zie je eitjes, dan is er een koningin. Is het volk rustig, dan is het tevreden. Zijn de bijen stekerig, dan is er iets mis: het gaat onweren, ze hebben honger of je werkt te gehaast. (In mijn tweede imkerperiode, toen ik nogal veel dronk, kon ik daaraan toevoegen: of je hebt een kater. Bijen haten de geur van alcohol).

Toen ik de cursus had voltooid en mijn ouders trots het diploma liet zien, reageerden ze blij verrast. Opnieuw kreeg ik een volk van mijn vader. Ik had toestemming om een bijenkast op het platte sedumdak van mijn woongroep te plaatsen. En hoewel ik mijn vaders aanbod om het cadeauvolk samen naar Amsterdam te brengen met een dubbel gevoel aannam, kon ik niet wachten tot ik echt zelfstandig imker was. Op het dak zouden geen betweterige mannetjes over mijn schouder meekijken.

*

In het begin was dat volk zachtaardig. Hoewel ik hoog boven de stadsbomen stond en het platte dak geen afrastering had, was ik nooit bang als ik met de bijen aan het werk was. Dat veranderde toen ik het jaar erop besloot ook bij dit volk een kunstzwerm te maken.

De weken ervoor had ik de bijen nauwkeurig in de gaten gehouden. Opgelucht concludeerde ik dat het volk zich volgens het boekje ontwikkelde. Eerst verscheen er darrenbroed, de grotere cellen waaruit mannetjesbijen komen, een paar dagen later kon ik op de kastkaart noteren dat de eerste moerdoppen gesignaleerd waren. Ik maakte me klaar om het volk te splitsen, zette de oude koningin met raam en al in de kartonnen doos die ik voor het vervoeren van een bijenvolk heel geschikt achtte. Toen de kunstzwerm compleet was tapete ik de bovenkant van de doos dicht.

Op het bijenpark van de vereniging, zo’n vijftien kilometer verderop, stond een gloednieuwe kast klaar voor de kunstzwerm. Helaas had ik geen auto. Dus bevestigde ik de kartonnen bijendoos met spanbanden op de stuurdrager van mijn fiets en reed ik zo voorzichtig mogelijk de straat uit. Bij iedere hobbel zwol het gezoem in de doos aan. Panisch streek ik op elk kruispunt het tape glad, bang om een woedende zwerm bijen in de binnenstad los te laten.

Een uur later kwam ik uitgeput aan op het bijenpark. Nu alleen het volk nog overzetten. Zodra ik mijn pak aan had en de doos opende, lieten de bijen merken dat ze niet zo gecharmeerd waren van de fietstocht. Agressief vlogen ze tegen mijn kap terwijl ik, zo goed en zo kwaad als dat ging, de doos boven de kast leegklopte. Ik was zo opgelucht dat de klus geklaard was dat ik niet eens in de doos keek of er nog dode bijen lagen. Misschien had ik haar dan zien liggen.

*

We noemen een volk ‘hopeloos moerloos’ wanneer de koningin dood is en er ook geen eitjes zijn waar de werksters nieuwe koninginnen van zouden kunnen maken – dat doen ze dan door snel een ‘redcel’ om een gewone cel te bouwen en deze larve met spoed koninginnengelei te voeren. Toen ik een week later ging kijken hoe het met mijn kunstzwerm ging, waren de bijen niet blij me te zien.

Waarschijnlijk had de koningin klem gezeten tijdens de fietstocht, maar ik wilde het niet geloven en bleef panisch alle raampjes op BRIAS controleren. Ik ben nog nooit zoveel gestoken als die middag, voortdurend vlogen er bijen tegen me aan. Als ik zelf nog betwijfelde wiens fout dit was, maakte het volk wel duidelijk wie zij als koninginnemoordenaar zagen. Ze staken door mijn handschoenen, door mijn spijkerbroek. Het gif maakte me duizelig en ik kreeg overal jeuk. Uiteindelijk zat er niets anders op dan mijn falen te erkennen en het verloren volk met een sterk lesvolk te verenigen.

In principe laten bijen geen vreemdelingen toe in hun kast, maar door een slimme truc kan je twee volken toch laten samensmelten. Ik opende de andere kast en legde een krant op de bovenste bak. Daarbovenop tilde ik de bak met het moerloze volk, dat mij nog altijd meedogenloos aanviel. De komende dagen zouden de volken zich door de krant een weg naar elkaar toe eten, terwijl de inkt de vreemde geuren zou verbloemen. Imkers gebruiken voor dit doel graag De Telegraaf, omdat bijen de goedkope drukinkt van die krant lekker schijnen te vinden.

Later die avond belde ik mijn vader. Ik durfde haast niet te zeggen dat de koningin tijdens de fietstocht, waar ik een week geleden nog zo triomfantelijk over had verteld, was omgekomen. Maar hij troostte me met de gedachte dat ik door deze ervaring een betere imker was geworden. Goed imkerschap betekent dat je het beste voor je bijen probeert te doen, in de wetenschap dat het beste nooit genoeg zal zijn, omdat je bijen in een onnatuurlijke omgeving houdt. De ideale situatie voor een kolonie honingbijen is een omgeving zonder menselijke activiteit. Ik realiseerde me dat mijn angst voor het oordeel van mijn vader vooral in mijn hoofd zat, en dat ik door koppig mijn eigen weg te gaan, zijn belangrijkste les was vergeten: kijken wat het volk wil.

Sindsdien bel ik hem als ik een vraag heb over de bijen, en die gesprekken zijn eigenlijk altijd heel plezierig. Het brengt ons dichter bij elkaar. Misschien moet je zelf volwassen worden om een hobby met je vader te kunnen delen.

Maartje Smits is dichter in beeld en taal, imker en ecofeminist. Dit verhaal is een aangepaste versie en verscheen eerder in 2017 in de bundel Onze Dieren, samengesteld door Rutger Lemm. Maartje werkt momenteel aan een essayistische roman over bijen.

De auteur en haar vader. Bron: Maartje Smits

Een moerdop in aanbouw. Bron: Wikipedia, Waugsberg

Koningin in een doosje. Bron: Wikipedia, OakleyOriginals

Pieter Bruegel de Oude (1568)

Terug naar begin